ODD

ODD  is een afkorting voor Oppositional Defiant Disorder.  ODD is een vorm van oppositioneel opstandig, negatief, agressief, vijandig en openlijk ongehoorzaam gedrag. Indien een kind dit gedrag gedurende minimaal 6 maanden vertoont, kan er sprake zijn van  ODD. In deze periode moet voldaan zijn aan minstens 4 van de volgende criteria:

  • het kind heeft vaak driftbuien 
  • het kind spreekt vaak volwassenen tegen 
  • het kind weigert vaak aan verzoeken of regels van volwassenen te voldoen 
  • het kind irriteert vaak met opzet andere mensen 
  • het kind legt de schuld van fouten en ongepast gedrag vaak bij anderen 
  • het kind is vaak lichtgeraakt of snel geïrriteerd door anderen 
  • het kind is vaak kwaad of verongelijkt 
  • het kind is vaak haatdragend of wraakzuchtig
  • het kind doet vaak iets vervelends om iemand anders dwars te zitten.

O.DD. is een gedragsstoornis, doorgaans bij jonge kinderen, die voornamelijk wordt gekenmerkt door opvallend, uitdagend, ongehoorzaam, storend gedrag en die geen criminaliteit of de meer extreme vormen van agressief of dissociaal gedrag omvat. De stoornis vereist dat aan de onderstaande criteria is voldaan:

Gedragsstoornissen worden gekenmerkt door een zich herhalend patroon van dissociaal, agressief of uitdagend gedrag. Zulk gedrag dient wel een belangrijke schending te zijn van wat voor de leeftijd nog maatschappelijk toelaatbaar wordt geacht. Het dient dus ernstiger te zijn dan gewoon kattenkwaad bij kinderen of opstandigheid bij jeugdigen en dient duurzaam te zijn (zes maanden of langer). Kenmerken van een gedragsstoornis kunnen ook symptomatisch zijn voor andere psychiatrische toestanden, in welke gevallen aan de onderliggende diagnose de voorkeur gegeven dient te worden. 

Zelfs ernstig kattenkwaad of zeer onbehoorlijk gedrag is op zichzelf niet genoeg voor deze diagnose. Deze categorie dient met voorzichtigheid gebruikt te worden, vooral bij oudere kinderen; aangezien een gedragsstoornis die klinisch van belang is doorgaans samengaat met dissociaal of agressief gedrag dat verder gaat dan louter uitdagend gedrag, ongehoorzaamheid of storend optreden.

Kinderen met O.D.D. vertonen oppositioneel gedrag. Dat betekent dat zij opstandig en dwars zijn. Ze vertonen verzet tegen het gezag van het volwassenen. Zij doen niet wat er van hen wordt gevraagd. Ze voelen zich snel aangevallen als zij worden gecorrigeerd. Kinderen met O.DD. gaan dan meteen in de verdediging door boos of woedend te reageren. Ze hebben moeite om zich aan de regels te houden en zoeken de grenzen op. Kenmerkend is dat ze slecht luisteren en brutaal kunnen reageren. Anderzijds kunnen ze ook ‘stiekem’ zijn door net te doen of ze een terechtwijzing niet hebben gehoord of deze te zijn ‘vergeten’. Het kind ziet de grenzen als belemmeringen, die hem de mogelijkheden tot verkennen ontnemen. Het voelt zich gevangen in een ‘systeem’ van regels en belemmeringen. De school is zo’n systeem, waarin de eis tot aanpassing tot botsingen leidt (Janson, 2003). Het kind kan van huis weglopen of spijbelen. Het kind voelt zich van binnenuit altijd in de oppositie. Het kan zichzelf overschatten en zoekt naar afstraffing van zijn overmoedigheid. Iedere verplichting ziet hij als een beperking van zijn vrijheid. Het kind kan echter ook niet omgaan met verleende vrijheid. Een reële beoordeling van zijn mogelijkheden zal hij aanvankelijk wellicht niet erkennen, maar uiteindelijk wel accepteren. 

Het kind vertoont antisociaal gedrag. Het kind vertoont weinig respect voor de gevoelens van anderen, overtreedt de heersende normen en waarden ten koste van anderen en heeft ‘lak’ aan de regels. Door kinderyogadocenten wordt het gedrag van kinderen met O.D.D. als moeilijk en lastig ervaren doordat ze naar de buitenwereld sterk negatief gedrag vertonen. Vaak is verwijdering van school, schorsing of een verwijzing naar het Speciaal Onderwijs dan ook het gevolg. O.D.D. kan een voorloper zijn van de Conduct Disorder (C.D.) oftewel: de anti-sociale gedragsstoornis. Wanneer opstandig gedrag voor het tiende levensjaar aanwezig is bij een kind, is dit vaak een signaal voor het risico op ernstig antisociaal gedrag op latere leeftijd. Er zijn echter ook kinderen die C.D. krijgen zonder eerst O.D.D. te hebben gehad. Kinderen met O.D.D. hebben moeite om hechte relaties aan te gaan.   Zij ervaren geen relatie met hun omgeving. Ze worden door anderen, bewust of onbewust, met een zekere argwaan benaderd en voelen dat zelf weer als een belemmering. De omgeving ervaart hen immers als onverschillig en onbetrouwbaar. Je weet niet wat je aan ze hebt. Een kind dat onverschilligheid uitstraalt, wil er echter vaak juist wel bij betrokken worden, maar dan niet op de gebruikelijke manier. De onverschilligheid kan een diepere achtergrond hebben (het kind wordt bijv. overvraagd of er is desinteresse ten gevolge van een te geringe uitdaging of stimulering door de omgeving). Echt sociaal aangepast gedrag is kinderen met O.D.D. vreemd, waardoor zij sociale vaardigheden expliciet moeten aanleren. Dat brengt hen tegenover andere kinderen soms in situaties die ze weliswaar zelf opzoeken of veroorzaken, maar die ze eigenlijk ook wel zouden willen vermijden.

Een kind met O.D.D. uit zich d.m.v. agressief gedrag op openlijke of stiekeme wijze. Het kind lokt een reactie uit door uitdagend gedrag. Als het antwoord uitblijft, zal de uitdaging alleen maar groter worden. Een toename van oppositioneel opstandig gedrag kan dus voortkomen uit het niet op tijd herkennen van het gedrag.  Een agressief kind berokkent anderen of voorwerpen schade d.m.v. non-verbale agressie (vechten, schoppen, vandalisme, brandstichting, inbreken, mishandeling van dieren of mensen), intimideren, wapengebruik, bedreigen, gewelddadig gedrag, pesten, beroven of verbale agressie (schelden, vloeken, kwetsende opmerkingen maken, bedreigen, roddelen, stoken of liegen over anderen). De ongehoorzaamheid kan zich op openlijke wijze manifesteren door brutaal gedrag of weigeren te doen wat er gevraagd wordt, of in de bedekte vorm door bijv. zogenaamd vergeten te zijn wat er is gevraagd, het niet gehoord te hebben, het kind kan overgaan tot langzaam-aan-acties of het net anders doen dan het gevraagd werd. Manifeste agressie is in een of andere vorm zichtbaar, terwijl latente agressie vooral een houding of attitude betreft die de bereidheid om agressief of vijandig te reageren vergroot.

Voorbeelden van relationele vormen van agressie zijn onjuiste geruchten verspreiden over een ander kind om het buiten de groep te sluiten en uit wraak vriendschap met een derde sluiten. Bij meisjes zien we vooral een indirecte, stiekeme uitingsvorm van agressie (bijv. spullen lenen en niet teruggeven). Bij jongens is de openlijke vorm vaker aanwezig. Hierbij maken zij gebruik van scheldwoorden, obscene en beledigende gebaren, gekke bekken trekken, slaan, schoppen en vechten. In de opvoeding is het verbod op agressie bij meisjes sterker dan bij jongens. Jongens ontwikkelen zich langzamer en hebben daardoor minder zelfcontrole ter beschikking. Kinderen met O.D.D. zijn egocentrisch ingesteld, hebben een hoge pijngrens en zien weinig gevaar. Ze zijn niet snel angstig en hebben een slecht ontwikkeld sociaal geweten. Ze leggen de schuld bij anderen en overzien de gevolgen van hun eigen gedrag niet. Er zijn drie verschillende typen agressieve leerlingen te onderscheiden:

1. Type ‘Je zin krijgen en de baas spelen’

Deze kinderen zijn in sociaal opzicht redelijk vaardig. Ze hebben een behoorlijke intelligentie en zijn verbaal sterk. Ze zijn gericht op de directe bevrediging van hun behoeften. Zij hebben weinig zelfcontrole en een sterke behoefte aan macht en erkenning. Deze leerlingen verdagen weinig kritiek. Het kind reageert met proactieve (instrumentele, offensieve) agressie. In dit geval is de agressie koudbloedig, berekenend, gecontroleerd, er is weinig activiteit van het autonome zenuwstelsel en willen kinderen er een doel mee bereiken. De agressie is een middel om hun zin te krijgen, gehoorzaamheid af te dwingen en de eigen status te vergroten. Ze veroorzaken soms conflicten met dit doel. Proactief agressieve kinderen worden geleid door de verwachting dat hun agressieve gedrag positieve gevolgen zal hebben. Dit soort kinderen komen vaak uit problematische gezinnen maar hebben geen geschiedenis van lichamelijke mishandeling. Ze zijn zo geworden door jarenlange positieve bekrachtiging bij agressief gedrag. De opvoedingsstijl van de ouders is permissief en toegeeflijk. Soms is er sprake van een verwennende opvoeding. Ook thuis speelt het kind de baas. De motivatie & prestaties voor school en leren zijn gering bij dit type.

  

2. Type ‘Opkroppen en ontploffen’

Dit type ervaart zichzelf als mislukkeling. Het kind geeft zichzelf de schuld van negatieve ervaringen (stabiel intern attributiepatroon bij falen). Het kind heeft een zeer negatief beeld van zijn eigen mogelijkheden. Hij ziet weinig perspectief en dingen overkomen hem. Dit kind durft geen gevoelens te uiten en op frustrerende ervaringen reageert hij in eerste instantie nauwelijks (trekt zich mokkend terug). Vervolgens kropt het kind zijn emoties op en dit leidt tot woede-uitbarstingen. Het agressieve gedrag uit zich ongericht, in de vorm van driftbuien of de woede verplaatst zich naar andere leerlingen of objecten. In een groep is het kind eenzaam, teruggetrokken en heeft weinig vrienden. Soms is het kind het mikpunt van pesterijen. Deze kinderen hebben vaak een zeer problematische opvoedingsachtergrond. Vaak zijn er echtscheidingen of wisselende ouders. De ouders hebben hun eigen problematiek. Het kind moet geregeld de rol van ouder overnemen. De gezinsomstandigheden bieden het kind weinig mogelijkheden om bij zijn leeftijd passende emoties kwijt te raken. Het kind heeft ‘afgeleerd’ nog iets aan zijn eigen situatie te doen.

Hooggevoelig

3. Type ‘Van je afslaan’

Deze kinderen kunnen op een persoon die zij als bedreigend of frustrerend ervaren, met reactieve (impulsieve, affectieve) agressie reageren uit angst en gebrek aan zelfcontrole. Ze voelen zich snel aangevallen en zij zien agressie als de enige manier om zich te beschermen en voor zichzelf op te komen. Ze schatten situaties snel als bedreigend in en reageren hierdoor bij voorbaat al agressief. Zij hebben een geringe frustratietolerantie. Deze leerlingen zijn onzeker, voelen zich snel afgewezen en vertonen meeloopgedrag met de sterke groepsleden. Het kind heeft aanpassingsproblemen in relaties en problemen met de sociale informatieverwerking. Er is een beperkt sociaal inzicht en het kind heeft een beperkt repertoire aan sociale vaardigheden. Zij hebben vaak een geschiedenis van lichamelijke mishandeling en worden streng opgevoed. Er is vaak sprake van een inconsequente opvoedingsstijl. Er is geen voorspelbare hantering van benaderingsstrategieën, dreigementen worden zonder reden de ene keer en de andere keer niet uitgevoerd, dezelfde regelovertreding wordt de ene keer wel en de andere keer niet bestraft. Doordat de dominante ouder in zijn/ haar gedrag onberekenbaar is, wordt de manier waarop het kind zijn autonomie moet verwerven onduidelijk en beangstigend. Hierdoor wordt het kind wantrouwig. Een onderscheid tussen opvoedingsstijlen van de ouders kan voor het kind verwarrend werken.

Vaak reageren de ouders afwijzend naar het kind. Er is vaak sprake van emotionele verwaarlozing. Hierbij toont de opvoeder geen of onvoldoende betrokkenheid en verleent het kind geen geborgenheid. Een leerling bij wie het oppositionele gedrag zich uit in agressiviteit, vraagt daarmee eigenlijk zeer dringend om hulp. Het agressieve gedrag is een luide oproep aan de omgeving om aandacht te geven aan een dieper liggend probleem. Kinderen met O.D.D. hebben moeite met de sociale informatieverwerking. Het gaat hierbij ten eerste over de cognitieve taken die nodig zijn voor het waarnemen en oplossen van problemen. Hierbij gaat het om:

 Kinderen vanaf 4-8 jaar:

  • Kunnen denken in termen van alternatieve oplossingen.
  • Kunnen denken in termen van de gevolgen die een sociale handeling kan hebben.

Kinderen vanaf 9 jaar:

  • Kunnen denken in termen van middel-doel-relaties bij het realiseren van oplossingen.
  • Kunnen denken in termen van oorzaken die aan het gedrag van anderen ten grondslag liggen.

Daarnaast gaat het bij de sociale informatieverwerking om de emotionele taken, die de verkregen informatie integreren met iemands doelen, motivatie en arousal-regulatie (lichamelijke opwinding reguleren). Deze bestaat uit het volgende dynamisch circulair model, bestaande uit 6 stappen:

1.    Het decoderen van sociale tekens.

(Selectieve aandacht, focus op situationele informatie en sensationele tekens, te weinig / minder brede informatie, beslissingen nemen op basis van laatste tekens).

2.    Het interpreteren van de sociale informatie.

(Affectief en sociaal perspectief nemen, toekennen van vijandige bedoelingen aan andere kinderen).

3.    Het zoeken naar de juiste respons voor het sociale probleem.

(Genereren van alternatieve responsen en effectieve oplossingen, denken eerder aan een agressieve respons).

4.    Het evalueren en decoderen van de optimale respons.

(Overwegen weinig consequenties van het eigen gedrag, kiezen een agressieve respons).

5.    Het uitvoeren van de gekozen oplossing.

(Beperkt sociaal gedragsrepertoire)

6.    Het evalueren van de uitvoering en terugkoppeling naar stap 1.

(Egocentrisch, zelfbeeld verandert niet, maken zich minder druk om negatieve gevolgen van hun gedrag).

Niet elk agressief kind heeft ook moeite met alle stappen van het model. Meestal is er sprake van tekorten en vervormingen bij de sociaal – cognitieve processen. Reactief agressieve kinderen vpunt ertonen voornamelijk hiaten in de stappen 1-3, proactief agressieve kinderen in de stappen 4-6.

Er zijn overcontrolled (internaliserende) kinderen, die te veel zelfsturing hebben & er zijn undercontrolled (externaliserende) kinderen, die een gebrek hebben aan zelfcontrole.

Onder deze laatste categorie vallen kinderen met oppositioneel opstandig gedrag. Ze hebben moeite met zelfobservatie (monitoring), zelfbeoordeling en zelfbekrachtiging. Ze vinden het lastig om het ongewenste gedrag te observeren (evt. met antecedenten en consequenties). Het gedrag wordt vaak in absolute zin goed of fout geïnterpreteerd. Het kind beoordeelt zichzelf té streng of ziet het problematische gedrag niet. Agressieve kinderen krijgen zelden een compliment en vinden het ook moeilijk om anderen een compliment te geven. Ze hebben een impulsieve manier van denken en doen, problemen met de frustratietolerantie, met uitstel van behoefte, het vasthouden van de aandacht of het gebruiken van probleemoplossingsvaardigheden. Wanneer je door eigen toedoen (zelfcontrole) een situatie kunt beïnvloeden, verhoogt dit het gevoel van eigenwaarde. Het gebrek aan zelfcontrole wordt vanuit de psychoanalytische benadering beschouwd als de onmacht om de driften voldoende onder controle te houden, ofwel als een verstoord evenwicht tussen het systeem van de driften (hierin zijn de wensen, verlangens en behoeften opgeslagen) en remmen. Het controlesysteem is opgebouwd uit het ego en het superego. 

Het ego richt zich op de wereld buiten ons en het naar waarde inschatten van de realiteit waarin men zich bevindt. Tevens richt het ego zich op wat er in de persoon zelf gaande is. Dit houdt een taxatie in van zowel de eigen driften als de eigen normen en waarden. Het ego is op de hoogte van de rondom ons gestelde eisen en kan het gedrag sturen in overeenstemming met deze eisen. Het ego ontwikkelt het vermogen een keuze te maken voor bepaalde gedragingen die het meest in overeenstemming zijn met bepaalde situaties. Het ego heeft een synthetische functie, oftewel: het vermogen om de verschillende krachten van binnen en van buiten met elkaar in evenwicht te houden. 

Het superego, ook wel het geweten genoemd, is het deel van het controlesysteem waarin de normen en waarden zijn opgenomen, die het kind zich eigen maakt tijdens zijn opvoeding. Als er een intern conflict dreigt tussen de kracht van de driften en de eisen van de omgeving, dient het superego signalen af te geven vanuit de opgebouwde normen en waarden. Zelfcontrole is opgebouwd uit de volgende onderdelen:

ZELFCONTROLE

Vermogen

Omschrijving

-Selecteren

Inkomende informatie op de juiste wijze waarnemen.

-Opslaan

De ontvangen informatie onthouden.

-Ordenen

Handelingen organiseren op grond van plannen.

-Anticiperen

Handelingen relateren aan verwachte resultaten.

-Accepteren van gevoelens

Emoties identificeren en constructief gebruiken.

-Hanteren van frustraties

Effectief omgaan met stressgevende hindernissen.

-Beheersen

Uitstellen of beteugelen van handelingen.

-Ontspannen

Verminderen van interne spanningen en druk.

Doordat de zelfcontrole van agressieve kinderen vaak tekortschiet, hebben zij vaak een negatief zelfbeeld. Kinderen met O.D.D. hebben moeite om hun eigen gedrag kritisch onder de loep te nemen. Het leggen van sociale contacten met leeftijdsgenoten en volwassenen is lastig voor hen. In de klas staan leerlingen met O.D.D. vaak buiten de groep omdat klasgenoten het probleemgedrag niet accepteren. Ze kunnen vaak beter opschieten met leerlingen die hetzelfde gedrag vertonen omdat dit vertrouwd voelt en ze het gevoel hebben dat ze hier wel zichzelf mogen zijn. Hierdoor kan het probleemgedrag echter worden versterkt.

 Oppositioneel opstandig gedrag reduceren tijdens de kinderyoga

Het is belangrijk je als kinderyogadocent in de stoornis O.D.D. te verdiepen, zodat je het gedrag beter gaat begrijpen. Bied een warme en vriendelijke relatie met veilige afstand (aanvankelijk meer zakelijk dan persoonlijk). Het is van belang een doorgaande lijn te creëren in de aanpak door regelmatig contact te leggen met de ouders, betrokken hulpinstanties en indien aanwezig: de gezinsvoogd. Zorg dat de gezinsvoogd goed op de hoogte is van alle activiteiten van het kind en ook zorg kan dragen voor het inschakelen van de hulpverlening of justitiële instellingen.

Helderheid, duidelijkheid, consistent handelen, rechtvaardigheid en consequentie zijn van groot belang voor de leerling met O.D.D. Toon overwicht als kinderyogadocent. Besef dat eisen stellen belangrijk is, naast het begrip voor de persoon áchter het moeilijke gedrag (Van Lieshout, 2002). Zorg voor duidelijke (eenduidige) afspraken/regels, zet ze eventueel op papier en laat ze ondertekenen. Visualiseer ze waar mogelijk. Negeer ongewenst verbaal en fysiek gedrag niet en stop agressie altijd! Spreek het kind aan op het gedrag maar keur hem als persoon niet af! Corrigeer extreem gedrag direct. Blijf hierbij wel rustig en kalm en word niet emotioneel; daarin zijn deze kinderen veel sterker. In een later stadium kan er dan samen met de leerling geëvalueerd worden. Voor het moment zelf is (kort) separeren vaak een adequaat middel. Wanneer je het kind terechtwijst, stel het dan verantwoordelijk voor de gevolgen van zijn gedrag. Laat het kind wel altijd de schade herstellen van door hem aangedaan onrecht. Geef de leerling inzicht in de keuzes die hij gemaakt heeft en geef aan welke assertieve (niet – agressieve) alternatieven er zijn. Wees heel duidelijk in wat wel en niet kan maar wel op een niet- bedreigende manier. Bekrachtig positief, gewenst gedrag direct via een beloningssysteem. Buig fysieke agressie om tot acceptabele omgangsvormen (bijv. fanatieke sportbeoefening, taken in en rondom de yogales). Geef mogelijkheden om op een legale manier indruk te maken; bijv. door jou te helpen in de yogales bij bepaalde taken. Bied het kind preventief hulp zodat probleemsituaties kunnen worden beperkt. Leer het kind weg te gaan uit moeilijke situaties. Betrek het kind bij oplossingen en geef het gevoel dat hij hier ook invloed op heeft. Leer het kind zich te verplaatsen in de gedachten en gevoelens van anderen (perspectiefneming). Laat hem zien dat niet iedereen automatisch tegen hem is. Laat het kind bijvoorbeeld fysiek op de plaats van de ander plaatsnemen en het voorval beschrijven/ naspelen. Dit is belangrijk omdat het kind egocentrisch denkt en weinig gevoel voor empathie heeft. Maak het kind gevoelig voor de behoeften van anderen (bijv. door samen te werken met andere kinderen in de yogales). Leer hem te beseffen wat hij aanricht bij anderen met zijn negatieve gedrag. Vergroot het probleembewustzijn. 

Spiegel als kinderyogadocent het gedrag van het kind en neem zwakkeren in bescherming. Werk tevens aan het zelfbeeld en de instelling van het kind; deze gaan namelijk niet samen met de agressie. Verhoog zijn locus of control; leer woede verbaal te uiten, zelf voor time-outs te kiezen en tot tien te tellen. Leer het kind ‘zelfspraak’ aan: het gebruik van taal (denken) remt het impulsieve reageren (doen). 

Vermijd het gebruik van teveel woorden (‘preken’ heeft een averechts effect). Maak het kind niet belachelijk en wees niet cynistisch. Let erop dat er voldoende waardering en respect wordt getoond. Humor kan wel een positieve uitwerking hebben op de leerling. 

Geef instructies waarvan je zeker weet dat je ze uitgevoerd wilt zien, ook als het kind niet toegeeft. Geef geen instructie als deze niet belangrijk genoeg is.

Denk na over het tijdstip waarop je de instructie geeft. Als het kind net met iets bezig is waarvan je hebt gezegd dat dat goed was, is het beter om even te wachten tot het kind daarmee klaar is. Je moet er bovendien zeker van zijn dat het kind je hoort en dat het kind in staat is om je instructie op te volgen. Geef je instructie als één directe uitspraak. Blijf de leerling daarbij wel met respect behandelen. De instructie kan worden voorafgegaan of gevolgd door alsjeblieft zonder daarbij te smeken.
Geef geen beladen instructies. Dit zijn instructies waarbij er veel te veel wordt uitgelegd door de volwassene. Het kind zal alle informatie niet kunnen bevatten en vergeet de essentie. Als je uitleg wilt geven aan je instructie, geef die uitleg dan vooraf. De instructie moet worden opgevolgd door 5-10 seconden stilte. Dat wil zeggen geef geen argumenten of uitleg meer nadat je je instructie hebt gegeven. Het kind moet binnen deze 10 seconden begonnen zijn met de uitvoering van de instructie.
 Als dit niet werkt kun je de instructie nogmaals geven.

Vermijd ketting instructies. d.w.z. teveel instructies achter elkaar. Laat het kind liever na elke (kleine) opdracht terugkomen om te zeggen dat hij ermee klaar is. Dit geeft je tevens de kans hem een complimentje te geven, waarna het met frisse moed weer zal beginnen aan zijn volgende klusje.
Geef geen vragende instructies waardoor het lijkt alsof het kind een keus wordt gesteld en "nee" mag zeggen.
Vermijd herhaalde & vage instructies die niet aangeven wat je precies van het kind wilt; bijv. "Hou eens op. Gedraag je!". Geef de instructie slechts 1 maal. Gebruik geen "Laten we.... " instructies waardoor het lijkt alsof je zelf mee gaat doen, terwijl het de bedoeling is dat het kind zelfstandig iets uitvoert. Bijv: "Laten we je yogamat op gaan ruimen".
 Geef geen instructies die van een afstand worden geroepen.

Probeer een voorgestructureerde, overzichtelijke, ordelijke, regelmatige, veilige en voorspelbare leeromgeving te bieden waarin het kind zo weinig mogelijk prikkels krijgt toegediend. Zorg voor korte, voorgestructureerde, positieve ervaringsmomenten door bijv. voldoende herhalingsmomenten te bieden en regelmatig feedback te geven. De samenwerking met andere leerlingen vooraf structureren & van duidelijke kaders voorzien (opdracht, wijze van uitvoer, tijd, evaluatie, positieve/negatieve consequentie etc.). Geef alles een vaste plek in de ruimte en een vast tijdstip. Houd het kind aan het werk zodat het geen kans krijgt om zich te gaan vervelen, zodat hij rottigheid uit zou kunnen halen. Geef korte aandachtspunten aan de leerling (schriftelijk) en plak deze op matje. Gebruik vaste routines gedurende de dag en wijk hier niet plotseling vanaf. Kijk ook naar de positieve eigenschappen van het kind en zijn interesses; maak hier gebruik van. Leer het kind op zinvolle wijze met zijn energie om te gaan. Bied het kind een leeromgeving waarin het succeservaringen op kan doen. Geef taken aan de leerling die hem / haar een goed gevoel geven. Bied voldoende uitdagingen en verdeel de yogales zonodig in kleine, overzichtelijke deelstapjes.

Vermijd kritiek en negatieve emoties in het contact met het kind, geef het warme en positieve aandacht (als tegenwicht tegen de angst van een jongere om niet gewaardeerd te worden)! Stel reële eisen aan het kind: pas op voor te hoge verwachtingen! Leer te relativeren: zichzelf niet overvragen (geldt zowel voor leerling als kinderyogadocent). Zorg voor haalbare toetsen. Zorg wel dat je krijgt wat je eist. Wees heel duidelijk in wat er van het kind verwacht wordt, op welke wijze dit dient te gebeuren, hoe er gecontroleerd wordt, wat de consequenties zijn (positief/negatief), binnen welk tijdsbestek het af dient te zijn, enz. Kortom: zorg voor duidelijkheid. 


arrow_drop_up arrow_drop_down